Keek op week 4-2020

Afgelopen week was de week van nieuwe contacten en nieuwe projecten. Twintigtwintig is van start met een knal!

Op het eiland Santiago, in hoofdstad Praia, woont sinds een half jaar Judith. Zij is daar haar droombedrijf aan ’t opstarten. Terra Terra Tours heet het en het belooft, dat je de echte Kaapverdische cultuur leert kennen met en door contact met de lokale bevolking. Binnenkort gaat haar website de lucht in, en nu is ze al te vinden op Facebook. Op Brava kwam ze afgelopen week vooral om uit te rusten van dat hele opstartproces. En omdat ze hier nog nooit geweest was.
In haar armen droeg ze bij aankomst een pakket voor Zja. Zja woont bij ons in het dorp en wil slippers, tasjes en andere lederen artikelen gaan maken. Toen hij ooit een paar jaar in de penitentiaire inrichting van Fogo moest verblijven, heeft hij daar een cursus in gevolgd. Na afloop van die zwarte bladzijde vertelde hij me, dat die bezigheid én sporten zijn geestelijke gezondheid hebben gered. En daar wilde hij in z’n toekomst iets mee gaan doen.
Dat gebeurde maar niet, dus heb ik hem gevraagd wat hem tegenhield. De materialen. Want a. die zijn op Brava niet te koop en b. hoe zou hij die moeten kopen? Nu heb ik dankzij mijn lieve vader een potje eigen geld en daarmee heb ik, via Judith in wereldstad Praia, een startpakket kunstzinnig leer verwerken aangeschaft. En dat is dus deze week gearriveerd.

Zja wil alle spullen bij ons in huis laten. De de volgende dag bleek ook, dat hij meer van me verwacht dan alleen een investering: na zijn werk bij een lokale baas kwam hij bij ons en in een paar uur tijd hebben we samen een paar slippers gemaakt. En een half tasje. Toen vond ik het wel genoeg geweest, want ik moest de geiten nog voeren. Maar ik mag zeggen, dat ik het erg leuk vond om zo samen te prutsen op onze binnenplaats. Zja blijkt een goede cursusleider. Wordt vervolgd!

Tweede nieuwe project van 2020 is een project van onze Associação oftewel Dorpsbelang Fajã d’Água. Het doel is om een iets grotere vissersboot aan te schaffen voor de vissers en wannabe-vissers in ons dorp. Daarmee kan ook bij iets slechtere weersomstandigheden gevist worden dan met de kleine bootjes, kunnen jongens en mannen zonder eigen boot ook de visserij in, kunnen onze lokale voortijdige schoolverlaters een vak leren. Van die dingen.
Gisteren zijn we met een visser (Appa), een botenspecialist (Erick), een geïnteresseerde (Sheed) en de twee bestuursleden die dit project in portefeuille hebben (Lucendo en ik) naar Furna afgereisd om twee barkinho’s te bekijken. Begin februari staat er een ontmoeting op het programma met de burgemeester, de delegado’s van maritieme zaken en landbouw & visserij, een vertegenwoordigster van een financieringsorganisatie, de visserijinspecteur en de geïnteresseerde mannen en jongens van Ons Dorp. Jaja, ‘lekker bezig’, zouden m’n dochters zeggen 😉

Andere ontwikkeling die deze week rond is gekomen, is de uitkering van Lastent. Lastent is onze toezichtbehoefende dorpsgenoot. Zijn maandelijkse uitkering was al een paar maanden spoorloos en daar zijn we vanuit de Associação achteraan gegaan. Ik ben nu vanaf januari belast met het innen van de uitkering. Daarmee dient een boodschappenpakket voor een maand te worden gekocht, en hij krijgt een paar euro zakgeld per week. Als Lastent nu ’s avonds langs de oceaan naar zijn huisje buiten het dorp loopt, roept hij ter hoogte van ons huis heel hard: Boa noite, Marèt!

Lastent

Small town boy

Een poosje geleden kreeg Appa het bericht dat zijn vader opgenomen was in het hospitaal in Vila Nova Sintra. Hoe lang hij daar moest blijven was onbekend, en ook of hij wellicht doorgestuurd zou worden naar een groter ziekenhuis op een ander eiland. Hoe dan ook, het werd voor Appa’s zus Rosie allemaal wat te veel. Hun vader woont bij haar, maar daar woont ook Rosie’s eigen uitgebreide gezin. En hier wordt van de familie verwacht, dat ze bijspringen, als er iemand in het ziekenhuis ligt. De patiënt heeft eten nodig: daar zorgt de familie voor. De patiënt moet naar de wc of verschoond: werk voor de familie. Enzovoort. En ook Rosie kan niet overal tegelijk zijn… Of Appa ook zijn bijdrage wilde leveren.
Dus vertrok Appa naar Vila, met in z’n rugzak wat extra kleding, voor als de vader onverhoopt naar een ander eiland zou moeten. Appa moest dan met hem mee.
Na een paar dagen kwam Appa weer opgelucht terug: gelukkig kon de behandeling hier op Brava plaats vinden en ging het weer de goede kant op met vaders gezondheid en conditie.

Wekenlang vertelde Appa daarna verhalen over Vila. Daar komt hij nou eenmaal weinig. Misschien drie keer per jaar, om es naar de kapper te gaan of voor een familiebezoekje. Uitentreuren vertelde hij nu over de handelingen die hij voor en met zijn vader moest verrichten, over de vriendelijke verpleegster en de aardige bewaker, en over het reilen en zeilen in het hospitaal in ’t algemeen. Het was een avontuur.

Appa als hij net naar de kapper is geweest.

 

Mooie ontmoetingen

Reizen gaat, volgens mij, niet over ’t je verplaatsen over de wereldbol. De essentie van reizen ligt in de ontmoetingen. Ontmoetingen met nieuwe ervaringen, landschappen, culturen, en met mensen natuurlijk.
Hier op Brava zitten wij aan de kant waar naartoe gereisd wordt. Europees najaar en winter is het hoogseizoen van onze appartementen-verhuur-activiteiten en de afgelopen maanden hebben we (gelukkig) alweer aardig wat gasten onderdak geboden. Ook daar zitten mooie gebeurtenissen en ontmoetingen tussen. Gasten die geleidelijk vrienden zijn geworden en voor de derde of vierde keer langskomen. Een internationaal kerstdiner op onze binnenplaats. Oudejaarsavond met dorpsvrienden én al onze gasten in de Bar van Anna, die nu van Nunuy is. En drie weken lang ‘nieuwe onderburen’ waarvan ik hoop dat ik ze ooit weer tegenkom. En wederzijds: kijk hoe ze Kaza Baixo achterlieten…

 

Over twee weken zijn alle drie appartementen eventjes onbezet en heb ik Kaza di Zaza voor drie dagen geblokkeerd in de boekingsagenda’s; even samen met Erick bijkomen, uitslapen en lekker wandelen en relaxen. Want dat is ook belangrijk.

‘Goede reis en mooie ontmoetingen’, dat is mijn wens voor allen.

Ontploffingsgevaar

Het is weer de tijd van het jaar, dat ik bij elk geitenmekkertje onrustig word: gaat ’t wonder zich voltrekken? Komt er een nieuw geitje ter wereld? Biza bijvoorbeeld heeft al weken een buik als een ballonnetje en ziet er koddig uit, even breed als hoog en lang. Als ze gaat liggen, kan ze bijna niet meer opstaan, en geregeld zie ik haar hulpeloos spartelen met alle vier pootjes in de lucht. Biza is één van de vier (zwangere) beneden-geiten, bij Appa rondom huis. Bij ons ‘boven’ staan er vijf, in dezelfde conditie. Dus het wordt weer feest!

Foto’s van Appa’s viertal.

Geitje van troost

Toen mijn moeder ongeneeslijk ziek bleek, heb ik mijn eerste hondje aangeschaft. Ik vond nergens rust, kon niet in huis zitten, dus liep zoveel mogelijk rondjes door Waterland met dat hondje als excuus en geduldig metgezel. Mijn hondje van troost noemde ik hem.
Toen mijn vriendin Mirjam ongeneeslijk ziek bleek, vroeg ik haar toestemming om een pasgeboren geitje op Brava naar haar te vernoemen. Dat mocht. Vandaag is vriendin Mirjam overleden. Ver van Nederland blijf ik dagelijks liefdevol haar naam uitspreken.

Dia differentie – een kerstgedachte

Ach het is al weer een tijdje terug en omdat het bijzonder was, moet het op schrift gesteld worden.

In navolging van de vrouwen, die vorig jaar hun eerste ‘dia differentie’ hier vanuit Faja d’ Agua deden en later een tweede met vrouwen vanuit heel Brava (jullie hebben de verslagen van Marijke daarover al kunnen lezen), werd er al lang gesproken over een ‘dia differentie’ voor de mannen. Een ‘dia differentie’ is een dag anders dan alle dagen: een dagje uit, naar een andere plek, samen een activiteit ondernemen.
En zo werd er een dag voorgesteld, zo terloops, tijdens de dingen van alledag. Appa kwam ermee, later Lucindo ook, en ik zei natuurlijk ja, een goed idee.
Het idee was om de auto te nemen naar Campo Baixo (boven op het eiland) en vandaar naar Lomba te lopen. Daar zouden we dan langs vrienden gaan, wat kaarten, en een versnapering nemen. Dan weer met een busje terug. De zaterdag dat het ging gebeuren naderde. Er werd bedacht, dat er 500 escudos per persoon gelapt moest worden, af te dragen de donderdag voor ‘de dag’ bij ondergetekende. De spanning liep op. Vele mannen zeiden toe, maar op donderdagavond was er nog geen geld in kas. Op vrijdag werd besloten, dat we de volgende dag om half tien des morgens zouden verzamelen bij Nunuy op het terras.
Om half tien die zaterdagmorgen liep ik naar beneden richting het terras van Nunuy. Onderweg zeiden Dudu en Noy nog, dat ze er aan kwamen. Bij Nunuy was ik de eerste, snel daarna kwamen Appa en João di Tunka aan, toen Rui di Tunka en tegen tienen Lucindo. We besloten een auto te bellen, omdat er op zaterdagmorgen maar zelden een busje Faja d’Agua aandoet. Er werd nog wat op en neer gelopen, geprobeerd meer mannen te ronselen, maar dat ging niet lukken. De auto kwam en enigszins gedesillusioneerd over de samenhorigheidsgeest van de mannen van Faja d’Agua stapten we met z’n vijven in. Maar vastbesloten er een mooie dag van te maken.

We reden de mij welbekende weg naar Campo Baixo, langs ‘onze landjes’ waar de maïs er erg droog bijstond. We reden verder, de weg even onverhard en toen toch weer verhard maar al snel steeds smaller. Hier was ik nog nooit geweest… De weg werd zo smal dat de auto nauwelijks tussen de muurtjes en de huizen door kon. We moesten even wachten totdat een man op een trap die z’n huis aan het schilderen was, de boel, aan zijn gezicht te zien niet zonder protest, weg kon halen zodat wij nog honderd meter door konden. Daar hielden de steentjes op en ging er een pad door. De auto kon nauwelijks keren. Wij stapten uit en namen afscheid van de chauffeur, zeiden onze ‘bon dia’s’ en ‘tudu dretu’s’ tegen de mensen aldaar die ons verwonderd aan stonden te kijken maar al snel, nadat we een verklaring voor onze aanwezigheid hadden gegeven, ons een lachend en hartelijk ‘bon viagem’ wensten. Sommige mensen herkenden mij terwijl ik… En dan moet er even extra omarmd worden…

We vervolgden het pad. Een paar honderd meter verder wees Appa me op een huisje, nu in gebruik als stal met een paar koeien en wat kippen. Hij zei dat we hier een jaar of vijf terug ‘stroem’, mest hebben gehaald voor ons land. Ik moest even goed kijken, maar toen kwam het me weer voor de geest en ik herkende het huisje. Alles kwam weer terug, inclusief die mannen die me moesten omarmen. Ik liep vrolijk verder.

De eerste paar honderd meter was het pad redelijk vlak, maar daarna begonnen we te dalen. Een oude ezelweg, af en toe verhard met stenen en af en toe zijn de stenen weggespoeld door regen en blijft er gruis over. Toch was het pad goed te volgen maar wel heel erg steil naar beneden. Ik hou niet zo van meer dan vijfenveertig graden dalen op mijn teenslippertjes… Een paar schoentjes was wellicht fijner geweest. De mannen klepperden door en ik stuntelde daar achteraan, bedenkend dat ik nu eenmaal opgegroeid ben in een vlak land en trots op mezelf dat ik dit wel doe. Af en toe stopten we om van het uitzicht te genieten: de ribera, de waanzinnig steile wanden, de echo’s als je wat riep, de verlatenheid, de stilte in die door al die jaren heen uitgesleten ravijn. Hier en daar liepen wat wilde geiten, verder was er zoveel steen, niets, een acacia. Dit was het pad naar ‘Odje di Agua’, ‘het oog van het water’,de bron van Ferreiro, besefte ik al gauw. Af en toe rustten we onder de schaduw van een acacia, dronken we wat water, waren we stil.

We kwamen aan bij de bron: ineens stromend water. Bezwete gezichten werden gewassen, er werd gedronken van het heldere water uit de bron. Na al die droogte ineens water! Na alles es goed bekeken te hebben, met de nodige opmerkingen van Lucindo over hoeveel water hier wel niet is in vergelijking met Faja d’Agua, moesten we toch echt verder.

Het pad werd minder duidelijk. José Groente, zoals Marijke en ik ‘José Mane Mane Tek’  noemen, heeft hier land en is een tijd bezig geweest om het land weer te bewerken. Dat was toen het water nog gratis was. We zijn een keer bij hem langs geweest vanuit Lomba. Helaas kost het water nu geld en is hij gestopt met werken, het is een zeer afgelegen plek en dus loont het de moeite niet meer. Wel heeft ie veel toegangspaden afgezet met omgehakte acacia, veel dorens, en zijn de paden niet meer zichtbaar. Na ‘odje di Agua’ liepen we wat verder over de labada (stenen irrigatiekanaal), kropen we driehonderd meter door een tunnel (!) en daalden we door de stekels van de afzettingen. Er was enig verschil van mening tussen de mannen hoe verder te gaan, want de labada die we moesten volgen lag al honderd meter boven ons en wij zaten aan de andere kant van de ravijn. Dan maar gewoon recht toe recht aan dalen en weer stijgen. Dat was een gedoe, maar uiteindelijk kwamen we weer op het goede pad, de labada  naar Lomba.

Tijdens de hele wandeling vanaf ‘Odje di Agua’ heeft Lucindo zich erover verbaasd, dat er zoveel water verspild werd, nee, niet verbaasd maar geërgerd: scheuren in slangen waardoor het vloeibaar goud gewoon wegstroomt, terwijl we in Faja d’Agua elke druppel proberen op te vangen en vrijwel al het water uit de bron van Faja d’Agua naar de rest van het eiland gaat. Appa oogstte in een van die verspillingen een zakje van een soort waterkers, want dat is lekker om sla van te maken. Maar Lucindo heeft gelijk: zo zonde van het water…

We kwamen langs eenzelfde soort herbebossingsproject als wat we op Faja d’ Agua anderhalf jaar terug gedaan hebben. De terrassen zagen er mooi uit, maar de beplanting was uitgedroogd, net als bij ons. Lucindo maakte zich weer kwaad: hoe kan een organisatie (NGO) zo veel geld uitgeven, terwijl er geen nazorg is. Ik ben het met hem eens…

We liepen de labada af. Die is meestal vrij vlak, geen geklauter steil omhoog, maar wel slechts vijftig cm breed, met hier en daar spectaculaire afgronden. Niet iets voor mensen met hoogtevrees. Af en toe stopten we om te genieten van de waanzinnige uitzichten en Lucindo kon het gezonde suikerriet bewonderen, en zich afvragen waarom er zoveel terrassen onbewerkt waren terwijl er zoveel water is…

Ergens tegen het einde hoefden we alleen nog maar een kort klimmetje te maken, het muurtje over en we stonden naast de bar van Koos Tandeloos. Zo heb ik hem van het begin af genoemd omdat hij toentertijd geen tanden had. Al jaren heeft hij een mooi kunstgebit en ziet er jaren jonger uit. De kroeg was dicht, maar dat was geen probleem: Koos werd opgetrommeld, er werd hartelijk welkom geheten, de deur en de ramen gingen open en de kroeg was in werking. Hoe lekker is een Fanta laranga met prikkels na zo’n tocht! Daarna kwam een fles rode wijn, helaas niet koud, kamertemperatuur, dertig graden. Op Lucindo na lieten we het ons smaken. Lucindo stond buiten druk te palaveren tegen wie het ook maar wilde weten over de verspilling van het water in de ribera. Ik ben het met hem eens.

Na ’t lessen van onze eerste dorst, werd het tijd voor een wandelingetje door Lomba en naar de viskabelbaan. Op de weg daar naartoe vele groeten en omarmingen, vele goede weerzienen, vele kletsjes. Bij de viskabelbaan was het druk, want een menigte vrouwen stond te wachten op vis die hun mannen tweehonderd meter beneden op zeeniveau gevangen hadden. En er was die dag veel gevangen. Eenzaam en net niet verlaten lag er een prachtige zalm op een steen. Ik had er wel oren naar en nadat alle mannen hem gewogen hadden en er drie kilo van gemaakt hadden, kocht ik hem voor vijfhonderd escudos. Een koopje, daar was iedereen het over eens. Lekker voor in de rookton.

Terug naar Koos: kaarten, de wijn laten smaken en veel praten met onze vrienden van Lomba, je ziet ze immers niet iedere dag. Het was een mooie ontmoeting. Tot de gebelde auto er aan kwam. Na een grofstoffelijk afscheid gingen we op weg naar huis. In Nossa Senora del Monte nog even langs Njo Bebetu, want dat moet je doen. Njo Bebetu zit in een rolstoel en kan dus bijna nergens heen. Hij verkoopt wel de beste punch van het eiland en hij zegt altijd ‘goedemiddag’ op z’n Nederlands als ik bij hem langs kom. Toen door naar huis, af en toe stoppen voor een foto op mooie plekken. Het groepsgevoel zit er aardig in, en we zijn blij dat we zo’n leuke dag met elkaar hebben gehad.

Terug op het terras van Nunuy kijken de thuisblijvers ons wat jaloers aan. We zijn vrolijk, we dansen en nemen nog een afzakkertje.

Dan loop ik naar huis, een beetje op het randje. Het was een mooie dag, voor herhaling vatbaar.

***

Het was een mooie dag en nu, zo tegen kerst, nu zit ik te schrijven en te denken… Een ‘dia differentie’, een dag even wat anders… Lucindo is van Fogo, hij woont hier al vijftien jaar en ik denk dat ie nog nooit terug geweest is naar ’t eiland waar ie geboren is, waar ie familie heeft, een half uur met de boot hier vandaan. De andere jongens komen ook niet of nauwelijks van het eiland af. Hun dagen rijgen zich aaneen: als er werk is werken ze, als ze kunnen vissen vissen ze, als dat er allemaal niet is, wachten ze op betere tijden. Er is hier geen vakantie, behalve dan voor de ambtenaren en andere bevoordeelden. In het weekend zijn de banken en is de gemeente gesloten, daaraan merk je dat het weekend is, maar als je kan vissen of een klusje hebt, ga je vissen of werken.
De dagen rijgen zich aaneen.

We gaan dinsdag ons varken slachten, dat wordt een lunch met een groot deel van onze gemeenschap en toevallig is het dan de dag voor kerst. We doen dit vaker, zo eens in de twee maanden slacht er iemand een varken en dan is het een feestje, weer een ‘Dia Differentie’.

Een mooie kerstgedachte.

Ik wens jullie een goed 2020.

Erick

 

 

 

Kippendrukte

Kippendrukte, er als de kippen bij zijn, haantjesgedrag, (niet) kiplekker, als een kip zonder kop… Alle spreekwoorden met kip en haan erin beginnen plotseling te leven zodra je kippen houdt. Ik doe echt m’n best om niet teveel over m’n beestenboel te schrijven. Maar ze zijn er nog steeds, hoor. En, ku fé na Déus = als alles loopt zoals ik hoop = als god het wil, dan is er morgen weer gezinsuitbreiding te verwachten. Ik kijk uit naar elf pluizebolletjes, die als piepende raceautootjes achter hun moeder aanrennen.